Zoeken

Kies uw taal

11 - Verkaveling: het landschap van Mondriaan

Op luchtfoto's en satellietopnames van Nederland zijn de IJsselmeerpolders onmiddellijk te herkennen: regelmatige, rechthoekige vlakken met relatief weinig bebouwing. Vanuit de lucht ziet zo'n patroon, zeker in de tijd dat de tulpen en andere bloemen bloeien, eruit als een schilderij van Mondriaan. De verkaveling is evenwel niet door kunstzinnige motieven ingegeven, maar door redenen van doelmatigheid. De boeren moesten op hun gronden zo efficiënt mogelijk kunnen werken.

De strakke kavels van het ontwerp van de Noordoostpolder en de latere keuze voor de teelt van bloembollen geven het landschap vanuit de lucht een Mondriaan-achtige uitstraling.

Verkaveling

Bij het droogvallen van de Noordoostpolder ontstond een oppervlakte nieuw land van zo’n 48.000 hectare. Vele studies waren al verricht naar de ideale inrichting en demografische ontwikkeling van deze polder. In 1936 werden zes verkavelingsstelsels gepresenteerd. Het definitieve Verkavelingsplan dateert van 1942. Daarin werd een kavel van 300 bij 800 meter (24 hectare) als optimaal ervaren. De toenmalige drainagetechniek stond een maximale kavelbreedte van 300 meter toe.


Verkavelingskaart van de Noordoostpolder. C. van Eesteren, 1948.

Het Uitgifteplan

Na het vaststellen van het Verkavelingsplan riep de Directie een commissie in het leven die het Uitgifteplan moest voorbereiden. Ze had de opdracht onderzoek te doen naar de ideale bedrijfsgrootte in de Noordoostpolder. De commissie was op grond van de ervaringen in de Wieringermeer tot de conclusie gekomen dat het ontwerpen van uitsluitend grote bedrijven een aantal ongunstige neveneffecten had. Verder had onderzoek uitgewezen dat de grotere agrarische bedrijven in het algemeen wel een voortrekkersrol vervulden, maar dat de kleinere bedrijven na verloop van tijd niet achterbleven.

Op grond van al deze economische en sociale afwegingen kwam de commissie tot de conclusie dat in de Noordoostpolder verschillende bedrijfsgroottes nodig waren. Het Concept Uitgifteplan werd besproken met vertegenwoordigers van de drie landbouw- en drie landarbeidersorganisaties. Vooruitlopend op het later zo beroemd geworden ‘Poldermodel’ werd een compromis bereikt waarin de grootste bedrijven van 60-67 hectare werden teruggebracht naar 48 hectare. Ook werd aangedrongen op meer kleine bedrijven, om meer polderwerkers in staat te stellen een eigen bedrijf te beginnen. Het advies om bedrijven van acht hectare uit te geven werd door de Directie niet overgenomen. Het uiteindelijke Uitgifteplan moest in het parlement worden goedgekeurd. Dit gebeurde in 1947, met nog een herziening in 1950. De Tweede Kamer ging uiteindelijk akkoord met de uitgifte van 1577 bedrijven, van 12 hectare tot en met 48 hectare.
De geografische ligging van de diverse bedrijven werd grotendeels bepaald door de bodemgesteldheid. Zo werd het 2.300 hectare grote klei- en zavelgebied bij Marknesse, Luttelgeest en Kraggenburg bestemd voor de fruitteelt. Vrijwel alle boerderijen waren om bedrijfseconomische redenen langs de weg en langs een kavelsloot geplaatst.

Noordoostpolder, plan van uitgifte. C. van Eesteren, 1947.

Bewust werd ook gekozen voor het plaatsen van boerderijen in groepjes van twee, drie of vier. De Directie verwachtte dat deze plaatsing in groepjes het onderlinge contact zou stimuleren, terwijl men elkaar ook te hulp zou kunnen schieten bij het werk op het land, brand of andere ongevallen. Daarnaast had plaatsing in groepjes financiële voordelen, omdat op deze manier slechts één brandkraan en één transformator nodig zou zijn. Planmatigheid was troef. In alles.


Vergezicht over Noordoostpolder 2012.

Landschap

Het Landschapsplan was een ander plan dat de Noordoostpolder vorm gaf. De hoofdwegen Ramspol-Emmeloord-Lemmer en Urk-Emmeloord-Marknesse kregen een zware beplanting. Het bekende assenkruis van wegen accentueerde de inrichting. Daarbinnen bracht lichtere beplanting een onderverdeling aan. Zo werden compartimenten gevormd. Langs de randen van de polder zijn deze compartimenten kleiner, in het midden weidser en grootser. Zijn de boerderijen kleiner, dan vullen zij de ruimte meer op. Zijn ze groter, dan zijn de bedrijven vaste punten in het weidse landschap. Het definitieve Landschapsplan dateert van 1947.

Het typische polderlandschap. Kaarsrechte wegen, grote rechthoekige kavels, boerderijen met singels. Noordoostpolder, 30-06-2011; Johannes Postweg (doorsneden door de A6), Nagele rechts aan de horizon.

Dorpen

Het Dorpenplan dateert uit 1946. De ligging van de dorpen is afgestemd op het stramien van wegen, vaarten en kavels. Onderzocht werd welke afstanden aanvaardbaar waren voor de landarbeiders, voor kinderen, voor ouderen, voor huisvrouwen etc. (zie ook venster 12). De dorpen liggen daarom in een cirkel rond Emmeloord op een afstand van zeven tot negen kilometer van elkaar. De dorpen werden omringd door tuinbouw, fruitteelt en kleinere boerderijen. Daardoor konden veel gezinnen op gemakkelijke wijze profiteren van de voorzieningen in het dorp. De grotere bedrijven namen de overige ruimten tussen de dorpen in. Specifiek in het polderbeeld zijn ook de 700 arbeiderswoningen, die in groepjes van twee, drie of vier nu nog het beeld bepalen (zie ook venster 16).


Ook bussen verbonden de polder met het oude land. Deze bus uit Zwartsluis is op 1 augustus 1947 op weg in de nog kale polder.

Schokland

De strakke verkaveling wordt in het oosten van de polder doorbroken door Schokland. De beplanting rond het eiland maakt nog steeds de contouren van het voormalige eiland zichtbaar.

In 1944 besloot men om Schokland met bomenschermen als voormalig eiland visueel herkenbaar te maken.

Grotere agrarische bedrijven

In de jaren zestig en zeventig vormde de agrarische sector in de Noordoostpolder over het algemeen een rustig beeld. Op alle bedrijven, akkerbouw dan wel gemengd, 12, 24 of 48 hectare, viel wel een boterham te verdienen. De opbrengsten en prijzen waren gemiddeld goed en de kosten nog redelijk in de hand te houden, ook vanwege het pachtsysteem en de relatief lage pachtprijzen. Pacht werd (zeker als de huurprijs onder het marktniveau zit, zoals in de Noordoostpolder het geval was) decennialang gezien als de ideale basis voor een gezonde land- en tuinbouw. Banken, accountants, standsorganisaties en vrijwel alle boeren waren het daarover eens. Tientallen jaren functioneerde dit ook goed, maar later zette dit systeem een rem op de ontwikkeling van agrarisch Noordoostpolder. Als gevolg van dalende rendementen nam de behoefte om grootschaliger te telen toe. Ook door een toenemende ziektedruk nam de behoefte aan meer grond snel toe. In de Noordoostpolder was door de pachtstructuur en het gebrek aan marktwerking, de grondmobiliteit zeer gering. Bedrijfsvergroting vond maar zelden plaats. In de jaren zestig, zeventig en tachtig verlieten sommige polderboeren alleen hun bedrijf voor een groter bedrijf in Oostelijk of Zuidelijk Flevoland. Het beleid van Domeinen was om de vrijgekomen kavel dan te verdelen onder, meestal, de buren. Zo zijn diverse bedrijven vergroot van twaalf naar 24 hectare. Dit was het Sanerings- en Structuurbeleid.

De grondmobiliteit bleef niettemin relatief gering. Pas nadat Domeinen eind vorige eeuw veel land verkocht aan zittende pachters, is de grondmarkt in beweging gekomen en is schaalvergroting ook in de Noordoostpolder toegenomen, net als elders in het land.