Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (beperkte oplage)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

17 - Arbeiderskampen: de eerste huisvesting

Arbeiderskampen zijn onlosmakelijk verbonden met de droogmaking en ontginning van de Noordoostpolder. Toen de polder in 1942 droogviel, was het de taak van de Directie de nieuwe gronden te (laten) ontginnen en geschikt te maken voor landbouw. Omdat de mechanisatie nog in de kinderschoenen stond, werden duizenden arbeiders naar de polder gehaald. De verbindingen waren in en kort na de oorlog slecht en daarom liet de Directie in de polder ruim dertig barakkenkampen bouwen voor de tijdelijke huisvesting van de polderwerkers. Al op 1 september 1941 werd bij Blokzijl het eerste barakkenkamp geopend. In sommige jaren verbleven er in totaal meer dan vierduizend arbeiders in de kampen.
 
Drie paarden vervoeren zakken met de oogst, en daarachter een kar met landarbeiders, 1950. Woonbarakken
 

Woonbarakken

Een arbeiderskamp telde aanvankelijk drie en later vier woonbarakken. Iedere woonbarak bood plaats aan honderd man. De kampen kenden een bepaald grondplan. Doorgaans werden twee woonbarakken in een diagonaal naast elkaar geplaatst en werd de derde woonbarak tegenover de eerste twee gezet. Met de vierde woonbarak vormden ze samen een ruit. Bij iedere woonbarak werd een fietsenstalling en wc-gebouw geplaatst.
 
De kampen in Emmeloord, 1947.
 
Kamp Enservaart, 1944.
 
Werkkamp "Dorp A" Emmeloord-Oost, kantine.

In het midden van het kampterrein werd de keukenbarak annex het kantoor van de kampbeheerder geplaatst. Naast de keukenbarak bevond zich een lokaaltje voor het schillen van de aardappelen en een bergplaats voor kolen. Op het terrein bevond zich verder een kantine. Sommige kampen weken van dit grondpatroon af. De barakken van kamp Blokzijl bijvoorbeeld stonden achter elkaar langs de Steenwijkerweg. Dit was ook het geval met de barakken van kamp Ramspol, omdat dit kamp op de Omringdijk was gebouwd. 

Kampleven

De woonbarakken boden weinig luxe. Een woonbarak bestond uit tien kamers, die elk uit een slaap- en een eetvertrek bestonden. Deze kamers werden door zo’n acht of tien man bewoond. De slaapomstandigheden waren niet al te luxe. In de kleine houten britsen lagen geen matrassen, maar zakken stro met vaak veel vlooien. Er werd niet in de kantine gegeten. Pas eind jaren vijftig werden de kampkeukens voorzien van een eetzaal, waar de arbeiders gezamenlijk konden ontbijten en hun avondmaal konden gebruiken. 


Fragment uit de film "Werkkamp Noordoostpolder" uit 1946. Deze instructiefilm toont het leven in de woonbarakken. Deze barakken boden onderdak aan de vele arbeiders die werkten aan de ontginning van de Noordoostpolder. 

Saai

Het kampleven was betrekkelijk saai. De polderwerkers werkten de hele dag op het land. Ze verlieten rond zes uur ’s morgens het kamp, met de schop op de nek, en keerden pas ’s avonds rond een uur of zes uitgehongerd weer terug. Overdag waren nog slechts de kampbeheerder, de kantinebeheerder en de kok in het kamp te vinden. 
 
Aankomst te Ramspol, 1941.

De kampbeheerder had de leiding over het kamp en zorgde voor orde en rust. De kantinebeheerder regelde vooral de bevoorrading met levensmiddelen en andere zaken. Verder waren er overdag in het kamp nog de corveeërs. Zij moesten de barakken schoon houden en zorgen dat het kamp er netjes bijlag.

 Keuken in Kamp Emmeloord Oost 1955.

Ook hielpen ze de kok bij het bereiden van de avondmaaltijd. De kok was belangrijk. Vooral in het begin, toen de polderwerkers werden ingezet bij het graven van greppels, draaide vrijwel alles om eten. Waren de arbeiders niet tevreden met het eten, dan had de kampbeheerder een probleem. Vooral de koolsoep, die in de eerste jaren van de ontginning werd geserveerd, was niet in trek.

 Kapper H. van Eikenhorst in werkkamp Marknesse II, 1948.

Films en optredens

In de barakkenkampen was weinig vertier. Na een lange werkdag en een warme maaltijd kon er in de kantine nog een kaartje worden gelegd of biljart worden gespeeld. De meesten gingen al om negen uur naar bed. Even gezellig doorzakken was er niet bij, temeer omdat drank of bier in het kamp verboden was. Een avond in de week werd er in de kantine van het kamp iets georganiseerd door de Culturele Commissie. Er werd dan een film gedraaid en soms was er een optreden van een cabaretgroep, toneelgezelschap of muzikanten. Onder hen de later bekende Jules de Corte en André Carrel, de vader van Rudi. Het publiek was dankbaar. Men was dolblij met een cultureel verzetje. Medewerkers van de Culturele Commissie brachten ook boeken en leesportefeuilles rond. Er was een bibliotheekcommissie die de inhoud van de bibliotheek en de leesmap vaststelde. De meeste polderwerkers gingen in de weekeinden naar huis. Ze stapten op de fiets of werden met vrachtwagens van de Directie naar het treinstation in Kampen of Steenwijk gebracht en weer opgehaald.

De kantine van werkkamp Nagele, beheerd door de familie Smit. Aan de wand boven de bar en winkel het opschrift 'Eens visch thans graan'.1942-1948.

Mannencultuur

Dat er in de arbeiderskampen een echte mannencultuur heerste, spreekt voor zich. In de barakken werden de nodige grappen uitgehaald. Nieuwe jongens werden bijvoorbeeld ‘gekeurd’ door een ‘man in een witte jas met bril’. Ze werden het hemd van het lijf gevraagd, terwijl anderen achter de houten wand meeluisterden. Argeloze nieuwkomers werden op pad gestuurd om een ‘dichte gaatjespan’ of een ‘grupdweil’ te halen. Er werd gelachen en geleden. Veel boerenzoons, die op de boerderij thuis vaak beschermd en in relatieve luxe waren opgegroeid, hadden het zwaar. Ze waren wekenlang van huis en vergingen soms van de heimwee. Het was een leven vol ontberingen, zware lichamelijke arbeid, zonder privacy, maar ook van nieuwe vriendschappen en plezier. Alleen de sterksten en meest gemotiveerden hielden het vol.

Vrouwen en kinderen

In de polder verbleven ook vrouwen en kinderen. Bij sommige kampen, zoals Marknesse en Urkervaart, bevonden zich gezinsbarakken. Deze werden bewoond door gezinnen die permanent in de polder woonden. Het gezinshoofd had een functie in het kamp of was werkzaam op een van de cultuurboerderijen in de polder. 

Wat er na gebeurde

Nog één barak herinnert aan het arbeiderskamp in het dorp Marknesse in de Noordoostpolder. Vroeger stonden hier kampbarakken. Op de bakstenen barak die is overgebleven staat nog het oude nummer W 35.

Kort na de oorlog werden barakken gebruikt om gearresteerde NSB’ers vast te houden. In totaal hebben er ongeveer 2800 mensen gevangen gezeten in de werkkampen. Na een jaar was deze vorm van internering voorbij. Een minder fraaie periode van de geschiedenis van de Noordoostpolder kon hiermee afgesloten worden.

In Vollenhove werd een barak ingericht als tijdelijk ziekenhuis. Sommige barakken werden nog jarenlang gebruikt als tijdelijke voorzieningen voor scholen. Vrijwel al deze barakken en alle arbeiderskampen in de Noordoostpolder zijn afgebroken, zodat er nog maar weinig tastbare herinneringen aan deze kampen te vinden zijn. Uitzonderingen vormen Marknesse en Tollebeek. In Marknesse doet een stenen woonbarak tegenwoordig dienst als Sociaal Cultureel Centrum ‘De Marke’. Een van de vertrekken is door Historisch Marknesse in Woord en Beeld in originele staat teruggebracht. In de Eggestraat in Nagele staat als onderdeel van een schuur nog een laatste restant van Kamp Nagele. In Tollebeek bevindt zich de zogenaamde Pioniersbarak die ooit deel uitmaakte van het plaatselijke kamp Urkervaart. De barak werd in 2006 gerenoveerd. Een initiatief van de Vrienden van Schokland om de plaatsen waar de arbeiderskampen hebben gestaan te markeren heeft tot dusver nog geen resultaat gehad.

Aan de Wildzang in Tollebeek staat de enige houten barak uit de pioniersfase van de Noordoostpolder.