Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (beperkte oplage)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

21 - De relatie met Urk en Overijssel: animositeit en afhankelijkheid

De Noordoostpolder grenst aan Friesland en Overijssel. De grens met Overijssel is bijna vier keer zo lang als die met Friesland. Bovendien ligt Zwolle, de hoofdstad van Overijssel, relatief dicht bij de Noordoostpolder. Ook belangrijke Overijsselse steden als Kampen en Steenwijk liggen in de buurt. Ook werd de polder vanuit Zwolle en Kampen in cultuur gebracht. Het is dus niet zo vreemd dat de Noordoostpolder zich een tijdlang vooral op Overijssel oriënteerde. Van 1962 tot 1986 maakte de polder zelfs deel uit van deze provincie. Het Noord-Hollandse Urk grensde na het droogvallen aan de nieuwe polder. Het voormalige eiland werd in 1950 overgeheveld naar Overijssel. 

De Zuiderzeekust van Overijssel 

Van Lemmer tot Blokzijl grenst de Noordoostpolder direct aan de oude Zuiderzeekust. Vollenhove was de eerste grote Overijsselse vissersplaats die werd afgesneden van het nieuwe IJsselmeer. Na de bouw van de Afsluitdijk, die in 1932 werd afgerond, was het aantal Vollenhover vissers al afgenomen. 
 
"Vollenhover visschers varen ter vischvangst"; gezicht op voormalige buitenhaven, datum onbekend..

     De Vollenhover binnenhaven met het 'fort', de visserswoningen die samen het Oldehuysplein vormden. 1915.

De oude haven van Vollenhove

Bestond de Vollenhover vloot in 1930 nog uit 64 schepen, in 1939 waren het er nog maar 43. Na het droogvallen van de Noordoostpolder zette de neergang van de visserij door. In september 1971 hield de laatste Vollenhover visser er mee op.

De gebroeders De Boer te Vollenhove, oud- Schokkervissers, 1970.

Ook Kuinre werd door de aanleg van de Noordoostpolder afgesneden van het IJsselmeer. Het stadje lag eeuwenlang aan de monding van de Linde en de Tjonger, waardoor dit deel van het IJsselmeer ook druk bevaren was. Sinds 1940 liggen haven en aanlegsteigers van Kuinre op het droge. Het feit dat de Noordoostpolder aan de oostkant geen randmeren heeft (met uitzondering van het kleine Vollenhovermeer en Kadoelermeer) wordt tegenwoordig gezien als een planologische fout. Het landbouwgebied langs de voormalige Zuiderzeekust had namelijk veel te lijden van het dalen van het grondwaterpeil en de inklinking van de grond. Het Rijk betaalde schadevergoedingen aan de gedupeerde boeren op het oude land.

Havenhoofd Kuinre op het droge, 2008.

Beheer en bestuur

De Noordoostpolder viel droog tijdens de Duitse bezetting. De regering had vóór de Tweede Wereldoorlog nog geen besluit genomen over het bestuurlijke beheer van de poldergronden. Zowel Overijssel als Friesland maakte aanspraak op het nieuwe stukje Nederland. In september 1940 publiceerde een studiecommissie die door Gedeputeerde Staten van Overijssel in het leven was geroepen een rapport. Hierin werd beweerd dat het uit sociaal-economisch en geografisch oogpunt logisch zou zijn de polder bij Overijssel in te delen. Overijssel kreeg gelijk. In 1941 werd de Directie overgeplaatst van Alkmaar naar Zwolle. De Directie vond onderdak in gebouw Flevo, een oude ambachtsschool aan de Menno van Coehoornsingel. De landbouwkundige afdeling vestigde zich in Kampen, omdat deze stad dichter bij de polder ligt dan Zwolle.

Sociaal-economische relaties

In 1940 had de commissie die door Gedeputeerde Staten van Overijssel in het leven was geroepen voorspeld dat de polderbewoners zich vooral op Overijssel zouden oriënteren. Die voorspelling kwam grotendeels ook uit. Vooral in de eerste fase van de kolonisatie maakten de polderbewoners gebruik van faciliteiten (winkels, scholen en ziekenhuizen) op het Overijsselse oude land.
 
Ens, 1954.
 
Was Kampen een tijd lang van belang voor de verzorging van Ens en het omringende gebied. Ook maakten de polderbewoners gebruik van een noodziekenhuis dat de Directie bij Vollenhove had laten bouwen. Naarmate het voorzieningenniveau in de polder steeg werden steden als Zwolle en Kampen echter minder belangrijk.
 
Het noodziekenhuis voor de polderwerkers in Vollenhove totdat in 1967 het Dokter J.H. Jansenziekenhuis gereed kwam (1948).
 
Omgekeerd maakten bewoners van de Kop van Overijssel gebruik van bepaalde voorzieningen in de polder. De Noordoostpolder bood ook werkgelegenheid aan inwoners van het noordwesten van Overijssel. De Zwijndrechtse firma NV Schokbeton bouwde in 1947 een fabriek in Kampen, die veel montageschuren leverde aan de Directie (zie ook venster 16). Ook werkten vele arbeiders van het oude land op de boerderijen in het nieuwe land.

Relaties met Urk

Het Noord-Hollandse eiland Urk werd ‘geënterd’ door de Noordoostpolder. Na de bezetting was de relatie tussen Urk en de polder slecht.

Urk nog eiland.

 
Man en vrouw in Urker klederdracht kijken naar de aanleg van de dijk van Lemmer naar Urk, waardoor Urk geen eiland meer zal zijn. Urk, 1936. Het begin van de aanleg van de Noordoostpolder.

Het dichten van het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk, 1939

 
De verbindingsweg met Urk werd officieel geopend op woensdag 19 mei 1948. De feestelijke opening was georganiseerd door Urk. Vandaar dat de echtgenote van de Commissaris van de Koningin van Noord-Holland de feestelijke opening mocht verrichten.

Landdrost S. Smeding weigerde bijvoorbeeld in te gaan op het verzoek van de Urker burgemeester G. Keijzer om ten behoeve van woningbouw stukken poldergrond aan Urk af te staan. Volgens Keijzer zag de landdrost Urk ‘als een ongewenscht onderdeel van den N.O. Polder’, dat hij liever aan zijn eigen lot overliet. Uiteindelijk ging Smeding toch akkoord met de overdracht van honderd hectare poldergrond aan Urk.
 
De vuurtoren van Urk
 
 
 
 
Film: Op Urk; een eerbetoon aan hen die in- op zee gebleven zijn. Een eerbetoon met een lied en gedicht.
 
De wet die deze gebiedsoverdracht regelde bepaalde ook dat Urk naar Overijssel werd overgeheveld. Die wet werd op 1 april 1950 van kracht. Na 1950 werd nog meer poldergrond bij Urk gevoegd. Gunstig voor Urk was verder dat de gemeente via de polder goede verbindingen kreeg met Kampen en Zwolle.

Lub en Deborah Romkes tijdens Urkerdag 3 juni 2006. Uit 'Oenze aigen bult dor in die vlakke polder', Maaike van der Gaag, 2009.

Provinciale herindelingen

De nieuwe gemeente Noordoostpolder werd in 1962 tijdelijk ingedeeld bij Overijssel. De relatie tussen Emmeloord en ‘Zwolle’ was moeizaam. Het Overijsselse provinciebestuur had weinig oog voor de problemen waarmee de piepjonge gemeente kampte, zoals de leegloop van sommige polderdorpen. Voor sommige polderdorpen werd zelfs een bouwstop ingevoerd. Onder polderbestuurders groeide de onvrede over het beleid van hun provincie.
 
Officieel bezoek van de leden van Gedeputeerde Staten van Overijssel aan de Noordoostpolder. Het gezelschap voor het Prof. Ter Veen Lyceum te Emmeloord, 1962.

In de jaren zeventig werd gesproken over de vorming van een polderprovincie. J.C.J. Lammers, landdrost van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders, probeerde Urk en Noordoostpolder bij deze plannen te betrekken. Aanvankelijk hielden beide gemeenten de boot af. Begin 1982 liet minister van Binnenlandse Zaken E. van Thijn echter weten dat hij bereid was mee te werken aan de totstandkoming van een polderprovincie (zie ook venster 29).

Provincie Flevoland

R.S. Hofstee Holtrop, de burgemeester van de Noordoostpolder, was enthousiast over een provincie Flevoland. Hij slaagde erin de gemeenteraad achter zich te krijgen. Op Urk waren er grote aarzelingen, maar het gemeentebestuur realiseerde zich dat het lot van Urk sterk was verbonden met dat van de Noordoostpolder. Vandaar dat ook de Urkers bereid waren de overstap naar Flevoland te wagen. In 1986 werden de Noordoostpolder en Urk bij de twaalfde provincie ingedeeld.

De provincie Flevoland is een feit. Op 9 januari 1986 liet Han Lammers de officiële handeling over aan koningin Beatrix.
 
Nu 25 jaar later is samenwerking en elkaar versterken aan de orde van de dag. Dat geldt voor Urk en de Noordoostpolder, maar ook daar buiten. Er wordt nu een andere strijd gevoerd; de strijd om het voortbestaan van de provincie Flevoland (zie ook venster 29)