Bestellen 'Boek 75 jaar droog' (beperkte oplage)

Boek Voorkant

Nieuwsbrief augustus

nieuwsbrief

Zoeken

Kies uw taal

27 - Directie van de Wieringermeer, afdeling Noordoostpolderwerken

Op 7 mei 1930 werd de Directie van de Wieringermeer in het leven geroepen met als doel de polders te ontwikkelen die in het kader van het Zuiderzeeproject waren drooggemaakt. De Directie was een projectorganisatie die ressorteerde onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat. In de loop der jaren ontwikkelde de dienst zich van een vooral agrarisch georiënteerde organisatie tot een meer algemene dienst. In totaal werd 165.000 hectare nieuwe grond aan Nederland toegevoegd, veranderde de zoute Zuiderzee in het zoete IJsselmeer en Markermeer en werden twintig nieuwe dorpen en steden gesticht.
 
Op 7 mei 1930 werd de ‘Dienst voor het in cultuur brengen van de in de Wieringermeer drooggevallen gronden' opgericht. De dienst werd al spoedig ‘Directie van de Wieringermeer' genoemd. Grondleggers waren drie landbouwkundig ingenieurs: ir. F.P. Mesu, ir. A.L.H. Roebroek en ir. S. Smeding. Vanaf 1935 was Smeding alleen directeur van de Directie.

   De eerste Directie van de Wieringermeer werd gevormd door v.l.n.r. ir A.L.H. Roebroek, ir S. Smeding en ir F.P. Mesu, 8 april 1930.

Tijdens de werkzaamheden in de Noordoostpolder werd deze organisatie Directie van de Wieringermeer afdeling Noordoostpolderwerken genoemd, kortweg de Directie. In 1963 is de naam veranderd in Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, afgekort RIJP. Vanaf 1937 was er sprake van een zogenaamde personele unie: de directeur van de Directie was tevens landdrost van het openbaar lichaam.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kampte de Directie voortdurend met een tekort aan materieel en vakbekwame arbeiders. De kolonisatie van de Noordoostpolder werd vertraagd en vooruitgeschoven waardoor de bezetter geen kans kreeg boeren te selecteren. 

Ministeries

De Directie was een projectorganisatie die achtereenvolgens zetelde in Alkmaar en in het Flevohuis te Zwolle. Daarna verhuisde de opvolger van de Directie (de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders) naar Lelystad en nam daar in 1974 haar intrek in het Smedinghuis.. Het van rijkswege in cultuur brengen van poldergronden was nieuw in de inpolderingsgeschiedenis van Nederland. De Directie was verantwoordelijk voor de inrichting en ontwikkeling van de Wieringermeer, de Noordoostpolder en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Bijzonder was dat (wetenschappelijk) onderzoek, uitvoering, beleid en beheer in één organisatie verenigd waren. 

 Onderzoek in 'Laboratorium Noordoostpolder'. Het nemen van bodemmonsters, 1943.

De werkzaamheden hielden onder meer in: ontginning en tijdelijke exploitatie van het land, uitgifte van gronden aan personen, bedrijven en instellingen, aanleg van bossen en natuurterreinen, de stichting van dorpen en steden en de zorg voor de sociaaleconomische opbouw van het nieuwe land. Woningbouw, onderwijs, volksgezondheid, nutsvoorzieningen, alles regelde de Directie. 

 De burgemeester van Kampen, de heer Oldenhof, ontvangt Duitse journalisten in het Raadhuis. Op de voorgrond een plaquette van de Noordoostpolder en de Zuiderzeewerken, die de Duitse journalisten verklaard werd.

Voor specifiek (uitvoerende) taken werd de hulp ingeroepen van verschillende ambtelijke en particuliere adviseurs en instanties, zoals de Heidemij. Omdat de inrichting van het grootlandbouwbedrijf goed aansloot op de organisatie van de cultuurwerkzaamheden, werd besloten de tijdelijke staatsexploitatie van de gronden door de Directie te laten uitvoeren. Zo kon het gebeuren dat de minister van Verkeer en Waterstaat zich al snel de grootste boer van West-Europa kon noemen.

Bepalen

De Directie kon als eigenaar van de drooggevallen gronden ook de inrichting van het nieuwe land bepalen. Om een profijtelijke ontwikkeling van de samenleving te bewerkstelligen, werd veel aandacht gegeven aan de selectie en begeleiding van de bewoners (zie ook venster 18 en 19).

 Eerste steenlegging door dr. Ir. S. Smeding van het Beursgebouw te Emmeloord, 1953.

De in onze ogen ondemocratische en hiërarchische rol van de Directie over de inrichting van de polder bleef overeind tot midden jaren vijftig. Daarna ging ‘Den Haag', in de vorm van allerlei ambtelijke commissies en andere instanties, zich steeds meer met het nieuwe land bemoeien. Bewoners kregen steeds meer inspraak en het nieuwe land werd dienstbaar gemaakt aan de oplossing van landelijke vraagstukken, zoals het ‘kleine boerenvraagstuk', de ruil- en herverkaveling op het oude land en het ruimte bieden aan Walcherse boeren en watersnoodboeren. Smeding werd op 1 oktober 1954 opgevolgd door A.P. Minderhoud.

V.l.n.r. de heren Minderhoud, Smeding en Otto, 1964.

Multidisciplinair

Eind jaren vijftig moest de inrichting en ontwikkeling van het nieuwe land steeds meer aansluiten op het nationale ruimtelijke ordeningsbeleid. De Directie transformeerde in deze jaren van een agrarische dienst naar een multidisciplinaire dienst. De verbreding van de doelstellingen van het Zuiderzeeproject leidde tot een uitbreiding van de dienst en verdieping van de werkzaamheden. Naast een schaalvergroting van de landbouw, moest ook rekening worden gehouden met belangen van landschappelijke vormgeving, recreatie, natuur en verkeer. De dienst ging twee steden bouwen, Lelystad en Almere. Op 1 april 1963 werd Minderhoud opgevolgd door dr. ir. W.M. Otto. Zij hadden op dat moment de Noordoostpolder al ‘achter zich gelaten'. Daar fungeerde vanaf 1962 een volwaardig gemeentelijk bestuur.

Markerwaard

De Markerwaard had eigenlijk het laatste project van de RIJP moeten worden, maar in 1984 besloot de regering het taakgebied en de taakuitvoering door de RIJP opnieuw in overweging te nemen. In het kader van bezuinigingen werd besloten de Markerwaard niet aan te leggen en de rijksdienst per 31 december 1988 op te heffen. Er werd vervolgens een reguliere directie van Rijkswaterstaat opgericht waarin de kerntaken van de RIJP geïntegreerd werden: de Directie Flevoland. Op 31 december 1996 werd het Zuiderzeeproject daadwerkelijk afgesloten toen de inrichting van Zuidelijk Flevoland als voltooid werd beschouwd.